De vos, de wolf en de hardloopster

Gepubliceerd op 13 februari 2026 om 10:02

Ik holde. Ik had mijn strakke roze renbroek aan en holde. Geruisloos over paden in de schemering, het afzetten van mijn voeten nauwelijks hoorbaar. Fluisterhollen, vliegensvlug sprintend, alsof ik vloog. Een conditiedans ter meerdere eer en glorie van mijn uithoudingsvermogen. Met licht verhoogde hartslag, ritmisch in- en uitademend. Een minuscuul flikkerend lampje om mijn bovenarm, achter rood, voor wit. Een fluoriserend strookje over mijn rug en over mijn dansende borsten. Niemand hield mij bij, iedereen had het nakijken. Taylor Swift op de draadloze oortjes, de telefoon met een gordeltje op mijn heup. Cadans, ritme, tempo, vaart. Ik was een schim, je zag me alleen als je goed oplette. Niemand lette op. Ik ging links, de laan uit, rechtdoor, passeerde de rotonde, draaide het bospad op. De bosgrond veerde mee op mijn gewicht, mijn staartje wipte ritmisch. Ik was een reetje met een wit pluimpje op mijn kont. Zag je die pijl die uit de boog vloog? Dat was ik. Duizelingwekkend snelle ik. Met lange passen dieper het bos in, rechts een pad omhoog, langs de kromme eiken, het vennetje, het heideveld waar overdag schapen graasden, links het pad omlaag. Knisperende bladeren onder mijn zolen. Dan, sneller dan verwacht, de open plek, de zandverstuiving met het kluitje dode bomen. De maan als een stralend peertje aan het plafond.

 

Ze stonden er, zoals verwacht: Vossius en Wolfius, hun bontmantels tot op de blote voeten, de kappen op, de oren van doorschijnend roze fluweel gespitst. Het was nog geen twaalf uur, maar Wolfius huilde met zijn kop schuin naar de maan gericht. Vossius kwispelde met zijn vossenstaart en lispelde zijn woorden.

‘Daar ben je dan.’

Daar was ik dan, nauwelijks hijgend, want mijn conditie was voortreffelijk. Als we met zijn drieën zouden hollen, dan hadden zij na enkele meters al het nakijken. Maar we holden niet, we stonden bij elkaar in het maanlicht. Te ademen. Mijn armlampje knipperde onverstoorbaar door, rood, wit enzovoorts. Wolfius had zijn hand op een dorre tak gelegd en deed geen moeite de panden van zijn bontjas dicht te houden. Hij had het blijkbaar niet koud. De maan bescheen zijn naakte lijf dat aan mannelijkheid niets te raden overliet, van opwinding was nog weinig te bespeuren, maar wat niet was, kon nog komen. Zijn gele ogen kropen over mijn atletische hardloperslijf, mijn benen slank en gespierd, mijn torso stevig rechtop. Ik keek hoe hij keek, terwijl Vossius keek hoe ik keek hoe Wolfius keek. Een afwachtend en zwijgend kijktrio. Het ruisende bloed in mijn aderen kwam tot bedaren. Ik draaide mijn blik naar Vossius, zag hoe hij zijn lange tong eerst langs zijn onderlip en toen langs zijn bovenlip liet gaan. Zijn lippen glommen in het licht van de maan. Verderop liet een man zijn hond uit, zover waren we dus niet eens van de bebouwde kom verwijderd.

‘En?’ vroeg Vossius. Zijn stem droeg ver. De hondenuitlater keek onze kant op.

Ik knikte en boog voorover om mijn veters los te maken en mijn schoenen uit te doen. Het zand voelde koel aan mijn naakte voetzolen. Ik zette mijn telefoon uit, haakte het riempje los en haalde de oortjes uit mijn oren. Ik borg alles op in mijn linkerschoen.

 

Vossius hing schijnbaar ongeïnteresseerd tegen een van de dorre bomen, de handen diep in de zakken van zijn bruine jas. Ik liet mijn hand over het zachte bont gaan, de verleiding was te groot. Mijn vingers belandden op zijn behaarde blote buik die niet zo zacht voelde als de stof van zijn mantel. Weer knikte ik. Ik herinnerde me dat ik niet veel eerder hardloper was, razendsnel, als een speer in een speerworp van een Olympisch kampioen.

Wolfius lachte zijn gele tanden bloot. Wat viel er te lachen? Het koord waarmee Vossius mijn handen op mijn rug bond? De vaart waarmee hij mijn strakke hardloopbroek omlaag trok? Hoe komisch allemaal.

‘Omdraaien.’ Ik draaide me om. Wolfius was een billenman. Zijn woorden. Het bleef stil. Nee, niet stil, verderop blafte een hond naar een andere hond. Twee honden, twee baasjes, verderop, daar waar de bosjes de zandverstuiving begrensden. Op vijftig meter.

Uit Wolfius keel klonk gegrom. Zijn klauwen waren scherp, drukten diep in mijn vlees. krasten over mijn huid. ‘Mmmmooooie billen, heeeerrrrlijke rrrreeet. Rrrrond, sssteeeeviggg.’ Complimenteus type, handtastelijk ook, klauwtastelijk eigenlijk. Over mijn schouder zag ik hoe hij vooroverboog, hoorde hoe hij snoof en snuffelde.

 

Ik stapte uit de broek om mijn enkels, met vrije benen kun je hollen ook al ontbreekt je broekje, ook al zijn je handen op de rug gebonden. Maar het was helemaal mijn bedoeling niet om te hollen en ook niet van Vossius en Wolfius. Hollen was wel het laatste waar ze aan dachten. Vossius bijvoorbeeld schoof mijn shirt omhoog en betastte me. Borstenman, zijn woorden. Hij rook een beetje uit zijn openstaande bek, niet goor, eerder ranzig.

‘Oeoe, wat zijn ze mooi!’ Hij lispelde en kreunde. Van achteren drong Wolfius op. Beiden waren stijf, graniet en marmer.

‘Benen wijd.’

Het waren heldere commando’s, eenvoudig op te volgen, actie reactie, graniet en marmer, penetreren en ontvangen, de vos, de wolf en de hardloopster. De maan en de uitgelaten honden, de blaffende baasjes. De sandwich. De natte muil van Wolfius in mijn nek, de bek van Vossius op mijn opengesperde mond, zijn tong tegen mijn huig. Opgeslokt in beestenvellen. Een soort van hollen, op rolletjes in holletjes, hol in feite, Wolfius rijdend in mijn hol, Vossius soppend in mijn vocht. Ik met mijn voortreffelijke uithoudingsvermogen. De honden grommend, de baasjes trekkend in hun losse broek.

 

Wolfius jankte met zijn kop schuin naar de maan, Vossius gromde met zijn ogen dicht en ik wipte tussen het bont. Het reetje met het witte staartje, graniet van achteren, marmer van voren, de handen vastgeknoopt, de rukkende baasjes met de hondenriem. Geef me een halsband, en laat me uit, sleep me naakt door het bos en lik me, sandwich me.

 

Mijn krijs stierf weg. Ineens was daar de diepe stilte van het bos. Alleen de maan was nog net zo helder, de rest was in duisternis gehuld. Ik trok mijn shirt aan en mijn broek omhoog. Likte aan mijn gladde vingers. Toen pakte ik mijn ritme weer terug, dansend veerden mijn schoenen op het bospad. Ik holde langs het vennetje, het pad omlaag, de opgestapelde boomstammen, het grasveld. Ik ging hard, ik ging lekker, niemand kon hollen zoals ik. Een komeet die voorbijflitst. Met een knipperlichtje, rood, wit enzovoorts.

 

Rating: 3.75 sterren
4 stemmen

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb